Het ontstaan van dit systeem en de methode gaat terug naar 1986.

Het was al in de zestiger jaren, vlak na mijn afstuderen, dat ik mij interesseerde in het lesgeven aan mensen met een bepaalde beperking.

Muziekles geven, mensen leren omgaan met een instrument en de muzieknotatie daarvoor, is niet zo'n grote kunst als de leerlingen heel begaafd zijn en geen beperkingen hebben.

Het begon met een jongetje, dat orgelles kreeg. Hij zou het nooit leren, was een opmerking van een onderwijzer, die hem in de klas had.

Het zingen van die jongen was een groot probleem. Het was een zogenaamd "brommertje". Hij kon geen wijs houden en zong alles praktisch op één toon.

Ik heb toen geprobeerd om er achter te komen waar dat van komt.

Als we zingen horen we onszelf van de buitenkant maar ook van binnen. Hoe ervaren we het horen van een bepaalde toon en hoe kunnen we die toon met onze stem nabootsen?  Dus met je oren een toon horen, beleven, en dan met je stem proberen om die toon te zingen.

Ik kan mij voorstellen, als je zo'n brommertje bent en de meester je laat weten dat je beter maar niet kunt zingen , dat je je maar stil houdt.Je gelooft er in dat je het nooit leert en dat het ook nooit verandert.

Nu heb ik geleerd dat een toon een aantal natuurtonen heeft en dat je die tonen niet altijd kunt horen maar dat je dat wel kunt trainen.

Iedere toon heeft dus een basistoon maar er zijn ook een groot aantal natuurtonen en wat hoort en beleeft ons "brommertje'?

Ik ben met die leerling gaan experimenteren door hem bepaalde tonen te laten horen en dan laten nazingen.

De toon die ik liet horen werd niet gezongen maar ik ontdekte dat de leerling wel een boventoon liet horen.

Na wat oefenen  kreeg ik hem zo ver dat hij de toon vasthield, dus bleef zingen, terwijl ik met het instrument de boventoon mee ging spelen. Het was een quint hoger.

Tot mijn grote verbazing ging de leerling op hetzelfde moment met de toon zwabberen en na lang trainen kreeg ik hem zover dat hij toch min of meer de toon kon nazingen.

Ik heb hem later zelfs aan het zingen gekregen

Dus niet te gauw aannemen dat een kind het niet kan maar proberen te ontdekken wat het wel kan en op welke manier de hobbels overwonnen kunnen worden.

Later kreeg ik een leerling met een behoorlijk motorische storing en dan vooral de kleine motoriek.

Aanvankelijk dacht ik dat deze knaap geen zin had en heel weinig oefende. Toen de vader mij kwam vertellen wat de handicap van deze jongen was, ben ik hem anders gaan benaderen. Later bleek uit een verslag van een paar psychologen, dat z'n motoriek verbeterd was.

Zo langzamerhand ben ik gaan geloven dat een leraar, ook op een middelbare school, bij slechte resultaten, er achter moet zien te komen, waar dit allemaal van komt. Vooral niet vergeten, er achter zien te komen of hij zelf ook iets verkeerd doet. Nooit bang zijn om je eigen fouten en gebreken te ontdekken en proberen om dat te verbeteren. Dat zal de leerling zeker ten goede komen.

Als een leerling iets niet snapt kan dat ook aan de leerkracht liggen en dat merk je niet bij hele begaafde leerlingen, want die hebben niet zoveel uitleg nodig. Wel geloof ik dat die begaafde mensen er zeker mee gediend zijn als ze uitgelegd krijgen waarom niet iedereen zo snel kan en waarom het zo belangrijk is om met anders begaafden geduld te hebben.

 

Begin van het lesgeven aan mensen met een verstandelijke beperking.

Ergens in 1986 kwam er een brief binnen bij de Stedelijke Muziekschool van Groningen. Deze brief werd voorgelezen tijdens een docentenvergadering en in die brief zat een klein fragment, dat me erg trof.

Deze brief kwam van mevrouw Borghorst.

Zij gaf les aan een aantal kinderen met een verstandelijke beperking. Aanvankelijk eerst aan haar kleindochter maar al spoedig kwamen er een aantal mensen bij en dat liep, wat werk betreft en tijd, haar uit de hand.

"Deze mensen zijn toch ook schepselen van God?" schreef ze en deed daarmee een beroep op de docenten van de muziekschool.

En dat hield mij bezig. Waarom niet lesgeven aan deze mensen?

Wij als docenten hadden hiervoor geen opleiding gehad en dus was dat een goed excuus om het maar niet te doen.

Ik ben toen naar de directie gegaan en heb gezegd dat ik mij daarin wilde verdiepen.

Meteen kreeg ik van de directeur, de heer van Herreveld, te horen dat hij daar een aantal taakuren voor wilde geven en toen heb ik contact gezocht met mevrouw Borghorst.

Zij was erg enthousiast dat er een reactie kwam en nodigde mij uit om bij haar thuis te komen en dan een paar lessen bij te wonen.

De week daarna heb ik haar uitgenodigd om op de muziekschool te komen lesgeven, zodat de leerlingen ook even konden zien hoe het er uit zag.

Nog een week later heb ik bij wijze van proef zelf les gegeven aan deze leerlingen. Ze waren blij met dit gebeuren en we hebben vrij snel de lessen op de muziekschool overgenomen.

Het notatiesysteem, dat deze mevrouw gebruikte had de naam "reginamethode' gekregen, genoemd naar haar kleindochter.

Het noteren van de noten gebeurde op ruitjespapier en elke blok in een ruitje kreeg de kleur van de noot.

De kleuren waren:

C geel, D blauw, E bruin, F groen, G rood en A wit met daarin de letter A.

Het systeem werkte maar het had een groot nadeel.

Iemand die het normale notenschrift kent, had namelijk grote moeite om hierin muziek te herkennen

Ook had je veel ruimte nodig om een liedje op kleur te zetten.

Hieronder een paar voorbeelden.

Eerst de omvang van 5 tonen op ruitjes papier en een regel van visje visje.

Dan hetzelfde maar dan in het huidige systeem.

Het maken van deze muziek kostte heel veel tijd. In die tijd hadden we nog geen kleurenprinters en later, toen we wel zo'n printer kregen moest je 20 minuten wachten als je een uitdraai wilde maken.

Er werd met de hand getekend en zo moest ook elk blokje met een kleurenstift in gekleurd worden.

Leuk is nog wel om te vermelden dat we veel vrijwilligers hadden om de muziek in te kleuren.

Er waren verpleegkundigen die tijdens de nachtdienst zaten te kleuren. Ze deden het graag en het gebeurde netjes.

Leraren op een middelbare school lieten, als er strafwerk gemaakt moest worden, materiaal inkleuren.

Ook door mijn vrouw en de kinderen werd heel veel geholpen en daar ben ik ze dankbaar voor.

Onze eerste voorspeelavond was een kerstavond in 1986.

Natuurlijk probeerden we voor deze avond veel publiek te krijgen. We hebben toen affiches gemaakt en die op verschillende plaatsen opgehangen.

Onze directeur had vaak gevraagd aan de directie van het Groninger vervoersbedrijf bedrijf of er affiches in de stadsbussen mochten maar dat werd geweigerd. Toen we deze man vroegen of voor dit doel zoiets kon gaf hij toestemming. We hebben toen 's avonds in alle bussen, en dat zijn er nog al wat, deze affiches geplakt.

Iedereen werkte mee en de avond werd een groot succes.

Het materiaal wordt op dit moment op veel plaatsen en ook in veel landen gebruikt en ik hoop dat deze site ook mee zal werken aan de verspreiding daarvan.